Home       E-mail Dutch     English

Diverse toepassingen

Passages uit het Proefschrift

Enkele mensenrechten

1. Privacy.
Onder de bekende mensenrechten komen verschillende voor die betrekking hebben op privacy. Deze rechten betreffen entiteiten in alle drie de werelden want het recht op privacy laat zich vertalen als mijn recht om mij in mijn drie “persoonlijke” leefwerelden te bewegen zoals ik dat wil en ook het recht om die wijze van leven/bewegen in principe verborgen te houden voor anderen.
Hieruit vloeit voort dat mensen het recht zouden hebben om te ervaren en te voelen wat zij willen. Misschien is in de afgelopen decennia in onze cultuur (onder andere) leefwereld-2 ontdaan van veel taboes; er waren en zijn nog steeds morele systemen waarin dit recht allerminst vanzelfsprekend is. Ik denk dat, grof generaliserend, in de “moderne verlichte” moraal, te typeren als hedonistisch en individualistisch, het leven in H2 meer gezien wordt als een esthetische dan als een ethische zaak. Het lijkt nauwelijks nog omstreden dat je mag voelen en ervaren wat je zelf wil en wat je zelf prettig of lekker vindt en dat je dat eigenlijk ook behoort na te (durven) streven. In een dergelijke moraal is alleen of hoogstens relevant hoe je je gedraagt -en dus hoe je je in W1 manifesteert. Het “no-harm-principe” laat zich zo vertalen: zolang ik anderen niet schaad (en hoe zou ik dat anders dan in W1 kunnen doen?) heb ik in W2 absolute vrijheid. Op grond van welke argumenten zou een dergelijke opvatting te bekritiseren zijn? Zijn er moreel relevante “verboden gebieden” te benoemen in H2; zelfs als een verblijf daar volledig verborgen blijft voor anderen? Is “redelijkheid” hiervoor een adequaat criterium? Is dit afhankelijk van het empathisch vermogen van anderen? Ten aanzien van fantasie is de vraag naar de vrijheid in W2 zeker niet geheel irrelevant en zeker niet als een fantasie een sexueel en/of gewelddadig karakter krijgt; “geestelijke hygiëne” is als normatief concept hiervoor ooit in gebruik geweest.

2. Vrijheid van overtuiging.
De vrijheid van overtuiging is in dit kader te formuleren als een beschikbare en onbegrensde “leefruimte” in H2.3: het is de vrijheid om zelf te denken wat als gedachte te bedenken of te ontdekken valt. Hiermee betreden we een voor de historici bekend terrein van mentaliteiten en opvattingen. Er zijn groepen mensen (en die zijn er nog steeds, maar in onze westerse maatschappij minder dominant dan vroeger) die eigenlijk slechts een beperkt terrein van H3 beschouwen als legitiem bewoonbaar en die het leven in andere streken minstens immoreel en eventueel zelfs juridisch afkeurenswaardig vonden; alle vormen van censuur of ideologisch imperialisme zijn in het voorgaande te herkennen.
Hierbij is enige terughoudendheid op zijn plaats. De vrijheid van overtuiging is weliswaar in de Rechten van de Mens vastgelegd en daarmee in onze westerse maatschappij een dominante waarde, maar toch is het alsof in de laatste jaren het “hebben” van bepaalde overtuigingen moreel weer relevanter aan het worden is. Een voorbeeld daarvan is te vinden in de discussies over politieke correctheid en discussies die door het feminisme in gang zijn gezet. Ook historisch bijzonder beladen discussies spelen hier een rol: is een racist racist op grond van z'n opvattingen of (ook) op grond van z'n gevoelens of (alleen) op grond van zijn gedrag/uitingen?

Rechten van niet-mensen

In een lange westerse traditie wordt verondersteld dat dieren geen “ziel” hebben en daarmee werd onder andere bedoeld dat ze geen moreel besef hadden en ook geen “geestelijk leven” kenden. Tegenwoordig nemen we aan dat (tal van) dieren wel degelijk iets kunnen ervaren en dan dus ook kunnen lijden en genieten; mogelijk in hoge mate net zoals wij.

Deze mogelijkheid van “dierlijk ervaren” maakt verschil voor de rechten van dieren omdat een aantal rechten is verbonden met de mogelijkheid tot ervaren, tot lijden. De gegroeide wijziging in positie ten aanzien van dieren laat zich benoemen als het besef dat (tal van) dieren ook leven in W2 en niet alleen in W1. Er zijn en blijven verschillen tussen mensen en dieren en die verschillen zijn (naast verschillen in W1-samenstelling en vormgeving) met name verschillen tussen onze en hun H2. Zoals we al eerder stelden: de vraag van Nagel “What is it like to be a bat?” is een (onbeantwoordbare) vraag naar entiteiten in de H2 van de vleermuis.

Dat betekent dat we, op basis van de 3Wt-R, onderscheid kunnen maken tussen de kwestie of dieren een “redelijke ziel” hebben en dus of ze redeneren en dus of ze in W3 leven, en de vraag of ze een “geest” hebben en dus in W2 leven. Dit laatste wordt dus breed aanvaard.

De stelling dat dieren geen “redelijke ziel” hebben laat zich, analoog aan de drie-deling van mensen als lichaam, geest en ziel, primair vertalen als dat zij niet in W3 leven: zij hebben geen toegang tot concepten en rationaliteit en dergelijke. Dit laat zich overigens moeilijk of niet vaststellen en primaten en walvissen zijn intussen als gerespecteerde mede-bewoners van W2 ook, onder een aantal condities, kandidaat-(mede)bewoners van een beperkt deel van W3. Daarnaast kan genoemde stelling ook bedoeld worden dat dieren geen “bewustzijn” hebben en dus niet in W2.2 leven zodat zij geen weet hebben van hun ervaringen.

Dat hetgeen geen “ervaringen” kent ook geen rechten heeft of krijgt is van direct belang voor de discussies over rechten van dieren en planten, alsmede (zie onder) voor die over vroege vruchten in de zwangerschap en comateuze patiënten. Echter, een dergelijke opvatting is ontoereikend als het gaat om de beargumentering van eventuele rechten van en plichten jegens eco-systemen in het milieu, de natuur etc. Een geheel ander, maar toch gaandeweg duidelijk onontkoombaar veld van vraagstukken is dat van eventuele rechten van en plichten jegens bestaande cultuurgoederen of W1-entiteiten zoals monumenten en kunstvoorwerpen, of jegens computers.

Tenslotte: in hoeverre is een pleidooi voor het behoud van “conceptuele monumenten” (en dat zijn dan voorheen bewoonde maar thans verlaten en onbruik-/bewoon-/leefbaar geworden delen van W3) denkbaar? Is het tijd voor een “Conceptueel Museum”? Maar is elke bibliotheek met boeken uit vroeger eeuwen dat niet al? Hoe zijn onbruikbaar en onbewoonbaar gebleken W3-entiteiten te lokaliseren? Is dit niet bij uitstek het terrein van de “History of Ideas”?
Waarop is een intrinsieke waarde van niet-H2.3-gelokaliseerde W3-entiteiten eventueel te baseren?
Kan een “maatschappelijke behoud-plicht” voor W3-entiteiten, die dan begrepen kan worden als een bestaansrecht van die entiteiten, worden beargumenteerd? Dit zijn vragen die in onze cultuur aandacht behoeven; maar dan wel binnen een begrippenkader als het hier gehanteerde.


Beslissen over het leven: abortus, euthanasie en hulp bij zelfdoding

Bij abortus is de leeftijd van de vrucht (in combinatie met de draagkracht van de moeder) een breed aanvaard moreel en formeel toelaatbaarheidscriterium; bij euthanasie en ook bij hulp bij zelfdoding geldt als criterium onder andere de mate van zelfbeschikking en de mate van uitzichtloos lijden. Het gaat hierbij steeds om (medische) ingrepen en dus om de toelaatbaarheid van (H1-)ingrepen in in eerste instantie H1-processen.
Wat abortus betreft is de leeftijd van de vrucht daarom van belang, omdat verondersteld wordt dat de vrucht op een bepaald moment iets kan ervaren en daarmee verandert er blijkbaar iets fundamenteels in de mate waarin rechten (en plichten) aanwezig zijn. Conform hetgeen we ten aanzien van dieren constateerden: als de vrucht intreedt als medebewoner van H2 verandert er iets fundamenteels en helemaal als H2.2 voor de vrucht toegankelijk wordt.

Dit is ook aan de andere kant van het levensspectrum aan de orde: euthanasie is min of meer geoorloofd bij een wilsbeschikking alsmede uitzichtloos lijden; beide duidelijk H2-entiteiten waarvan de eerste eventueel via een schriftelijke verklaring maar de tweede alleen indirect en dus in beperkte mate via W1-”feiten” controleerbaar is.
Bij de vraag naar (hulp bij) zelfdoding speelt de mate van verantwoording kunnen nemen een centrale rol en dat heeft een groot aantal uiterst complexe W2.3-aspecten: welke criteria zijn daarvoor mogelijk en zinnig?
Dat alles betekent in elk geval dat H2-aspecten fundamenteel zijn in alle discussies hierover.

Op grond hiervan zijn er goede redenen om juist in de discussies rond be?indiging van menselijk leven de W2-aspecten nadrukkelijk te expliciteren en deze naast de W1-aspecten een eigen plaats te geven in de vertogen hierover en dus in die delen van W3 die als theorie en verantwoording over deze kwesties gaan.


Psychologische en psychiatrische kwesties

De vakgebieden van de psychologie en de psychiatrie, als delen van W3, betreffen bij uitstek W2 en de verklaringen (voor veranderingen) van W2-entiteiten: belevingen, stemmingen, gevoelens, waarnemingen etc. Psychologie en psychiatrie maken deel uit van H3.2.

Van enige afstand is te constateren dat een deel van de theorie-vorming in deze vakken primair gericht is op de menselijke H2, als “op zichzelfstaand” systeem (de psychoanalyse is daar het voorbeeld bij uitstek van), dat een ander deel primair is gericht op de specifieke ecologie tussen entiteiten in H2 en in H1 (en de ontwikkelingen in de biologische psychiatrie gaan steeds over deze relatie) en dat weer een ander deel primair de ecologie betreft van entiteiten uit H2 en uit H3 (de cognitieve psychologie is in dit verband een goed voorbeeld). Veel uit deze vakgebieden is in het kader van de 3Wt te her-denken.
Het is in dit proefschrift natuurlijk zowel onmogelijk als onwenselijk om een dergelijke stellingname grondig uit te werken maar een aantal aanzetten zijn eenvoudig te geven. We zullen daarbij onze plaats proberen te houden; de filosofie is immers geen verklarende wetenschap en de 3Wt-R is ook geen verklarende theorie. Als de filosofie met deze 3Wt een conceptueel kader kan bieden waarmee op een relatief nieuwe manier wetenschappelijke en praktijk-relevante kwesties te formuleren zijn, dan is dat natuurlijk winst. Vanuit de 3Wt-R zou een dergelijk kader zeker de grondregel bevatten dat relevante entiteiten uit alle drie de werelden serieus genomen moeten worden in de doordenking van kwesties die bi- of tri-entiteiten betreffen, en dat zijn alle kwesties op het terrein van de psychologie en de psychiatrie (en de sociologie).

Hoe te leven? Over de kwaliteit van (menselijk) bestaan
Gezondheid

In onze cultuur, in het denken en voelen van de meesten van ons, is “gezondheid” een bekend hoog gewaardeerd goed. “Gezondheid” is in het normale spraakgebruik nog altijd primair een status van het lichaam, maar ook “geestelijke gezondheid” is intussen een tamelijk aanvaard begrip. Gezondheid in de lichamelijke zin is een normering van “toestanden” in H1; geestelijke gezondheid is een normering van “toestanden” in H2. Dat laat zich op tal van manieren nader omschrijven; bijvoorbeeld door gezondheid te definiëren als het ontbreken van bepaalde W1-entiteiten of W2-entiteiten, of juist als de aanwezigheid daarvan.
Met enige retoriek zou ik kunnen stellen dat naar de mate waarin het taboe op dualistische opvattingen toeneemt, ook de teneur sterker zal worden om geestelijke gezondheid zoveel mogelijk in gedrags-termen te willen kunnen vertalen; gedrag is immers weer iets van (die enige echt objectieve) W1. Daarnaast is het zo dat naar de mate waarin we deze teneur kunnen beheersen, ook in de typologie van gezondheid en ziekte meer legitieme aandacht kan zijn voor de ervarings- en belevingsaspecten. Over “chronische pijn” zonder aanwijsbare lichamelijke oorzaak is in dit kader minstens een aparte paragraaf mogelijk.

Holistische benaderingen in de gezondheidszorg gaan uit van een psychosomatische harmonie en dus van een in principe harmonieuze relatie tussen lichame Holistische benaderingen in de gezondheidszorg gaan uit van een psychosomatische harmonie en dus van een in principe harmonieuze relatie tussen lichamelijke en geestelijke gezondheid; het “mens sana in corpere sano” is daar de klassieke verwoording van.
Het idee van de psychosomatiek en de psychosomatische eenheid veronderstelt een hoge C tussen entiteiten uit een individuele H1 en uit een individuele H2 en we hebben in de voorgaande hoofdstukken en paragrafen al een reeks aanleidingen gevonden om de hoogte van deze C als variabel te beschouwen en niet als een vast gegeven of als een norm. Daarmee is het ideologische en normatieve karakter van holistische benaderingen duidelijk te benoemen.

Overigens kan men zich in het verlengde van het voorgaande afvragen of ook een vorm van “conceptuele gezondheid” en dus van gezondheid in H3 denkbaar is. Vanouds is “rationaliteit” te beschouwen als een vorm van conceptuele gezondheid, maar dan als een vorm die omstreden is geraakt. Misschien kan rationaliteit haar klassieke normatieve positie hervinden als haar bereik beperkt blijft tot H3 en niet ook voor H2 normatief wordt geacht.

Wederom biedt de 3Wt-R een scala aan mogelijkheden om kwesties opnieuw te formuleren en dan op een meer genuanceerde wijze dan in een “1Wt” of “2Wt” mogelijk zou zijn. In een tijdvak waarin de zorg voor menselijke “gezondheid” veel verder gaat dan de bestrijding van ziekte en het uitstel van lijden en dood, en in een samenleving waarin velen het zich kunnen permitteren om ook vormen van verfraaiing of ontlelijking tot de “gezondheidszorg” te rekenen, krijgt het normatieve karakter van gezondheid een andere lading (of: krijgt de W3-entiteit “gezondheid” andere pendante W2- en W1-entiteiten dan in het verleden gebruikelijk was). Dat betekent op zijn minst dat nog veel discussies gevoerd moeten worden over de besteding van maatschappelijk beschikbare middelen en over de legitimiteit van diverse mogelijke ingrepen in het menselijk lichaam. De uitbreiding van deze discussies naar H2 is al gaande: ook de geest laat zich immers verfraaien, via training en wat al niet.


Praktijken

Mensen kunnen op tal van manieren lijden en problemen hebben: in de eerste plaats kunnen zij lijden onder hun materiëe en fysieke situatie omdat ze arm of ziek zijn; in de tweede plaats kunnen zij gebukt gaan onder hun mentale bagage en conditie en in de derde plaats kunnen zij ook nog lijden onder hun opvattingen en ideeën. In de vierde plaats is het niet zelden zo dat zij last hebben van de verhoudingen tussen deze drie; er is immers een scala aan disharmonie mogelijk.
Als mensen iets aan hun lijden willen doen, dan gaan ze o.a. naar de beroepskrachten. Voor de eerste groep van lasten hebben we artsen, voor de tweede groep van lasten psychologen, psychotherapeuten en psychiaters en voor de derde groep zijn er de pastores, humanistisch raadslieden en praktiserende filosofen of filosofische consulenten. Op deze wijze is van de praktijken een ordentelijke beschrijving te maken.
Het voorgaande laat zich moeiteloos vertalen in de formulering dat lijden in alle drie de werelden mogelijk is en dat elke wereld zijn eigen specialismen kent.

Mensen maken theorieën over (delen van) de drie werelden en over de positie van de mens daarin. Als mensen kunnen lijden (en als er andere mensen zijn die daar belang aan hechten), dan zijn er dus processen en dynamieken in mensen mogelijk, die om begrip en om theorie en dus om pendante entiteiten in W3 vragen: hoe is dat lijden te verklaren? Te verhelpen? Dergelijke theorieën zijn altijd enerzijds retrospectief: hoe komt iets (een ziekte, een stoornis, een kwellende vraag, een probleem) tot stand? en anderzijds prospectief: wat gaat er gebeuren als er niets aan gedaan wordt en hoe bewerkbaar is dat allemaal?
We kunnen verwachten dat het leven in alle drie de werelden alleen binnen bepaalde marges bewerkbaar of beïnvloedbaar is. Over de breedte van die marges bestaat (veel) verschil van mening tussen (veel) specialisten voor alle drie de werelden en hun relaties.

Laten we aannemen dat bovengenoemde beroepsbeoefenaren hun vak verstaan en beseffen dat mensen een ecologisch complex vormen van de drie leefwerelden. Dat doet niets af aan het uitgangspunt dat elke beroepsgroep een eigen invalshoek of “uitgangswereld” kent en de methoden die daarbij passen; de drie werelden geven daarvoor een fraaie indeling die overigens ruimte laat voor de legitimiteit van “trans-wereldlijke disciplines” zoals de psychiatrie die we al lokaliseerden tussen W1 en W2 en zoals bijvoorbeeld de zielszorg die we kunnen lokaliseren tussen W2 en W3. Maar de onderkenning van het specifieke van het eigen specialisme zou niet de ontkenning van de andere aspecten en specialismen moeten betekenen.
Nu is het steeds meer mode om “heel de mens” te willen helpen en ook om “heel de mens” te willen zien (en wie zou daar nu nog bezwaar tegen kunnen maken?). Dat betekent dan in onze termen dat hun bewonerschap van alle drie de werelden altijd overal tegelijk en integraal aandacht zou moeten krijgen. Dat is natuurlijk een denkbaar principe, maar het is niet zo eenvoudig uitvoerbaar en ook niet altijd zo nodig. Waar de meesten die het “heel de mens-principe”-hanteren ook belijders zijn van de mythe van de Grote Harmonie, levert zo’n schijnbaar brede visie op de totale mens niet zelden toch een zeer enge (in beide mogelijke betekenissen) visie op die totale mens op: alles wat niet in die harmonie past moet dan (theoretisch en praktisch) verdwijnen. De 3Wt levert de mogelijkheid om, in een brede visie op de mensen, zowel de samenhang tussen, als de autonomie van, de drie leefwerelden onder ogen te zien en niet uit het oog te verliezen.